Moeten protestanten de maat van hun vaderen volmaken door het slavernijverleden dood te zwijgen, de Dordtse traditie voort te zetten en te weigeren om vergiffenis of enige schuldvereffening te doen? Die vraag dringt zich op nu protestanten zich neigen te ontdoen van ondragelijke schuld die hun vaderen op zich hebben geladen door in koloniale tijd genadeloos medemensen af te ranselen. Rode en zwarte slaafgemaakten maar ook contractarbeiders smeekten haast profetisch naar naastenliefde en bevrijding van slavernij of moordende contractarbeid. Volgens Mattheus (23:30-32) probeerden Joodse leiders zich ook van het verleden te ontdoen door tegen Jezus te pleiten: ‘Als wij in de tijd van onze vaderen hadden geleefd, hadden wij niet met hen meegewerkt om het bloed van de profeten te vergieten.’ Maar juist in dit verweer zag Jezus schuldbekentenis: ‘Aldus getuigt u tegen uzelf, dat u kinderen bent van hen die de profeten gedood hebben. Maakt u ook dan de maat van uw vaderen vol!’ Een kind is niet schuldig voor de misdaad van zijn vader, individueel noch collectief. Maar geldt dat ook voor het kind dat de misdaad doodzwijgt, de werken van de vaderen voortzet en niet weet van bekeren? Wie zet de Dordtse traditie voort en prijst aandeelhouders van de WIC zoals dominee Smytegelt als voorbeeldfiguren? Zijn protestanten vandaag beter en waaruit blijkt dat hun gerechtigheid overvloediger is dan die van hun vaderen?

Volgens het evangelieverslag van Lukas (23:39-43) hing Jezus niet alleen aan het kruis, maar met twee dieven naast Zich. De eerste dief zocht bevrijding van schuld zonder recht te doen aan degene die hij bestolen had. Hij riep: ‘Als U de Christus bent, verlos dan Uzelf en ons’. Maar de tweede dief bemerkte hierin dwaasheid: ‘Vreest u God zelfs nu nog niet!?’ De tweede dief erkende het recht: ‘wij ontvangen straf overeenkomstig wat wij gedaan hebben, maar Deze (Jezus) niet’. Nadat hij erkende terecht de straf te moeten vereffenen van zijn misdaad, vroeg hij Jezus om een gunst: ‘Heere, denk aan mij, als U in Uw Koninkrijk gekomen bent.’ Jezus wees dit niet geheel af en zei inschikkelijk: ‘Voorwaar, zeg Ik u, heden zult u met Mij in het paradijs zijn.’ De tweede dief werd behouden maar degene die hij bestolen had werd geen onrecht gedaan. Deze tweede dief vreesde God en betaalde zijn staf met de dood, want geloof kan niet zonder bekering en genade is nooit in strijd met het recht. Maar de eerste dief vreesde God niet en zocht verlossing van de straf die hij moest betalen, want ongeloof leidt niet tot bekering en ongenade gaat gepaard met onrecht. Kwam de eerste dief behouden in het paradijs?

Nederland profiteerde van de slavernij en was duidelijk gewezen op deze zonde, maar vreesde God kennelijk niet. Graft is een dorp in de polder en exemplarisch voor zeventiende-eeuws gereformeerd Nederland. Het beleed overeenkomstig de Heidelbergse Catechismus die de Synode van Dordt verplicht had gesteld dat Christus voor de zonden volkomen betaald had (zondag 1.1), maar bekeerde in werkelijkheid niet van deze zonden. Evenmin betaalde Graft de straf overeenkomstig de diefstal die zij gepleegd had. Aan naastenliefde kon men zich volgens Dordt niet houden (zondag 2.5), ‘want ik ben van nature geneigd, God en mijn naaste te haten.’ Rechtdoen is volgens Dordt een gave waar men zich van heeft beroofd (zondag 4.9). Hoewel Graft beleed dat zij ‘naar het rechtvaardig oordeel Gods tijdelijke en eeuwige straf verdiend hebben’ en erkende dat daar een betalingsmiddel tegenover moet staan (zondag 5.12), kon die betaling volgens Dordt ‘in generlei wijze’ door Graft zelf betaald worden (zondag 5.13). Alle schuld werd op Christus gewend, Hij maakt zalig van schuld en Dordt leerde ‘dat bij niemand anders enige zaligheid te zoeken of te vinden is’ (zondag 11.29). Maar Christus leerde anders: dat verlossing van schuld niet mogelijk is zonder ‘gelijk ook wij vergeven onze schuldenaren’. Christus leerde eerst met de naaste te verzoenen, daarna wordt een offer aan God welgevallig (Mat. 5:23-24; 18:23-35). Naastenvergeving voor of ten minste gelijk aan eigen vergeving. Maar Dordt leerde niet meer dan slechts het gevoelen van een gans voornemen tot naastenvergeving (zondag 51.126).

Goeddoen jegens slaafgemaakten bleef dus uit. De Republiek vond deze arbeiders geen loon waard. De gereformeerde kerk deed geen recht. Dordt had gereformeerden ervan verzekerd ‘lidmaat van Christus te zijn, Zijner zalving deelachtig’, omdat men Zijn Naam beleed. Geloven met het hart en belijden met de mond was kennelijk genoeg. Dordt leerde immers dat gereformeerden christelijk zouden zijn omdat zij door geloof ‘met een vrije en goede consciëntie in dit leven tegen de zonden en den duivel strijde, en hiernamaals in eeuwigheid met Hem over alle schepselen regere’ (zondag 11.32). Een soort imaginaire strijd dus, geen werkelijke waarbij men zich met de daad tegen slavernij keerde. Verzekerd van een goed geweten en eeuwige heerschappij konden gereformeerden dehumanisering, epistemicide en slavernij eeuwen laten voortduren. Zwarten werden dierlijk behandelt en een witte calvinist is ‘een rechte Nederlander’, aldus Udemans. Bij de doop van een zwarte broeder, spraken gereformeerden over hondendoop en sacramentsmisbruik. Zwarten konden geen christen worden noch Heilige Geest ontvangen, want die kwam volgens Dordt alleen door ‘de verkondiging Des Heiligen Evangelies en het sterkt door het gebruik van de Sacramenten’ (zondag 25.65). Hiervan waren slaafgemaakten onder WIC uitgesloten.

Volgens artikel 28 van het aan de WIC verleende octrooi moesten bewindhebbers ervoor zorgen ‘dat de Coloniërs ten allen tijde sijn voorzien van een of meer Bedienaars des Goddelijken Woordts’. Niet de tot slaaf gemaakte gevangenen moest vrijlating worden verkondigd, noch moesten gebroken zwarten slachtoffers enige genade of genezing worden gebracht, maar de zaligheid moest uitsluitend aan gereformeerde kolonisten en slavenmeesters worden verkondigd. ‘Ten einde de Coloniërs einde, de verdere opgesetenen aldaer in de vreese des Heeren, ende Leere ter Zaligheyt geleydt ende onderwesen mogen werden mitsgaders tot het gebruyck der Heylighe Sacramenten bequame occasie hebben’. Zwarten zijn onder de WIC niet beschouwd als mensen waarvoor Christus stierf, maar als werktuig goed voor welvaart, exploitatie en eigen gewin. Het octrooi regelde dat uitsluitend de WIC hen van Afrika mocht uitvoeren en de bij de koloniën mocht invoeren. Artikel 6 bepaalde namelijk: ‘Dat dewijle de gemelte Colonie niet wel kan worden voortgeset, dan door middel van Swarte Slaven ofte Negros ende dat niemand buyten de voorsz. Compagnie in deze Landen bevoeght is eenighe slaven te halen van de kuste van Africa.’  De Bijbel werd slaafgemaakt van de koloniale macht en de Dordtse traditie zorgde ervoor dat Evangelie in het voordeel van gereformeerden werd gelezen.

 

Gereformeerden leggen vandaag nog steeds een eed af bij de formulieren van enigheid van hun Dordtse vaderen. Voor de doop moet bijvoorbeeld met ‘ja’ worden bekend dat ‘de leer die alhier geleerd wordt, de waarachtige en volkomen leer der zaligheid is.’ Maar die leer belemmert juist de naleving van Gods gebod. Herstel tot de naaste wordt gereduceerd tot ‘het ganse voornemen onze naaste van harte te vergeven.’ De Vader kon de wereld uiteraard niet redden met slechts het ganse voornemen; Zijn Zoon moest daadwerkelijk komen om met Zijn vergoten bloed aan de eis der gerechtigheid te voldoen. Aan de geleefde praktijk voegde Zijn Zoon op gelijke wijze het onderwijs dat vergeving van de naaste voorwaardelijk stelt aan vergeving door God. Maar de Nederlandse Geloofsbelijdenis stelt in artikel 23 dat gerechtigheid alleen komt door geloof (sola fide) met een beroep op Rom. 4:6-8. De belijdenis wees wel op Abraham die gerechtigheid werd toegerekend uit geloof, maar niet op het feit dat hij naast geloof ook geduld moest hebben om de beloften te beërven (Hebr. 6:12), noch op het feit dat hij gehoorzaam is geweest om de juiste weg te gaan (Hebr. 11:8), evenmin dat hij uit werken werd gerechtvaardigd toen hij Izak offerde (Jac. 2:21). Die werken paste niet in de Dordtse dogmatiek.

Jezus waarschuwde de Joodse leiders dat zij het belangrijkste van de wet hadden nagelaten. Recht en barhartigheid zijn de vrucht van waarachtig geloof (Mat. 23:23). Maar Dordt schreef een geloof voor dat Graft voorleefde: minachting van recht en naastenliefde. Nederland volhardde in onrecht en bleef profiteren van de slavenhandel, ook na afschaffing in 1873 toen niet de slaven maar de slavenmeesters werden gecompenseerd. Abraham was bereid zijn meest kostbare bezit op te offeren; zijn beloofde zoon Izak en die stond gelijk aan zijn toekomst en nageslacht. Maar Graft liet niets van Abrahamsgeloof zien. Het beleed met de lippen, bleef ongehoorzaam aan Gods gebod en vertrouwde alleen in goud. Het door slavenhandel verkregen vermogen hield ook dominee Smytegelt in eigen zak. Hij wordt vandaag in gereformeerden kring geprezen wegens zijn opmerkingen tegen de slavenhandel, maar met ware eerbied voor God zou afstand hebben gedaan van WIC-aandelen. Kennelijk heeft Smytegelt zijn beloning al gehad. Is het goed om misdadigers tegen de menselijkheid te blijven eren en hun zonden te bedekken met de mantel der liefde? Of gereformeerden vandaag hiermee niet tegen zichzelf getuigen schuldig te zijn, heeft inmiddels een zwaar geaccentueerd antwoord gekregen. Dienen gereformeerden vandaag niet de Mannon? Hoeveel compensatie of reparatie hebben zij aan de koloniën gedaan?

Gereformeerden beleden Christus en geloofden dat Hij hun had gezegend met voorspoed, welvaart en rijkdom. Een misleiding waartegen de Heer meermaals heeft gewaarschuwd. Van slavernij aan de Mammon hebben Dordt en Smytegelt hen in elk geval niet kunnen bevrijden. Gereformeerden bleven eeuwenlang aan gouden ketenen getekend. Hun vader Voetius moest en zou tijdens de Synode van Dordt wel gelijk krijgen, want de Republiek verkeerde in een economisch kwetsbare positie. Het koloniale goud was het missionaire object, maar door het Twaalfjarige Bestand met Spanje moest de oprichting van de WIC worden uitgesteld. Voetius was vel tegen het rooms-katholicisme. Niet voor niets sleep hij de theologische messen ook tegen de remonstranten wiens opvattingen in zijn ogen nogal rooms-katholiek klonken. Belangrijker nog; de remonstranten zagen het goud niet blinken en hadden weinig tot geen koloniale aspiraties. De contra-remonstranten wilden doorgaans wel koloniaal uitbreiden en het kwam hen goed uit dat de gereformeerde kerk staatskerk was. Religieuze minderheden werden min of meer gedoogd al naar gelang de handelsbelangen of kansen die ze vertegenwoordigen. Toen het Twaalfjarige Bestand afliep, werd de WIC meteen opgericht en pakte men de fysieke wapens op. De Spaanse zilvervloot werd in 1627 door Piet Hein bij Cuba veroverd en dat leverde dividend op van 75%.

Als slavenschepen, plantagehouders en dominees in 1668 in rap tempo de Atlantische driehoek varen, behoren de grootste wapenfeiten van de WIC al tot het verleden en concentreert de activiteit zich op de Afrikaanse Goudkust en de slavenhandel. Daar had de WIC een aantal forten veroverd op de Portugezen en deed Dirck Wilre in zijn ogen goede zaken met de slavenhandel. Hij liet zich trots portretteren. Dat dit zondige zaken waren werd overigens niet alleen door het gereformeerde belijden en gebruik van het sacrament bemanteld, ook door kunstpropaganda. Omstreeks 1640 schildert Albert Eckhout een adjudant van een Congolose gezant in de kolonie met een Europese wensvoorstelling van Afrika. De zwarte wordt hier afgebeeld als iemand die vrijwillig kostbare geschenken brengt. Volgens sommigen is niet Eckhout de schilder, maar Jasper Becx. Wie het ook is, Anton de Kom beschreef de werkelijke omgang met zwarten achter dit wensbeeld. Zij brachten niet vrijwillig kostbare geschenken, maar gedwongen door radbraken, Spaanse bokken, brandmerken, verminking, doodstraffen door ophanging en vele andere gruwelijkheden te wreed voor Hondius Swartboek van Duysent zonden. Vooral weggevluchte Marrons die door bloedhonden werden opgespoord kregen terug in de stad gruwelijk leed te verduren. De Hervormde Kerk in Suriname hield na overwinning op de Marrons dankdiensten.

Nederlandse kerken zouden zich decennialang hebben uitgesproken tegen racisme, maar toch blijft de kloof tussen christenen met een witte en een niet-witte huidskleur in lokale gemeenten onverminderd groot, heeft Jilke Tanis vastgesteld. In het artikel Hoe zit racisme in de kerk en dan uit? stelt zij dat racisme zich vaak niet bewust uit. ‘Juist het relativeren van opmerkingen of het overdreven aardig doen is wat mensen uit de kerk drijft.’ Waarom krijgt de benoeming van een ouderling van kleur uitgebreid aandacht in de krant, maar die van duizenden witten niet? Al gaat het niet om de benoeming maar om bekering blijft de vraag staan. Waarom wordt iemand van kleur uitzonderlijk behandeld? De constatering dat de benoeming of bekering van iemand van kleur in witte kringen zo bijzonder wordt geacht, brengt tegelijkertijd de bewijsgrond met zich dat juist in die kringen het christendom als iets wits genormeerd is. Het is dan ook niet verbazend dat in de breedte van het kerkelijk spectrum juist kerken die Dordtse vaderen trouw zijn gebleven een witte aangelegenheid zijn gebleven. Het is wel verbazend dat in gereformeerde kringen met trots aan de Dordtse vaderen wordt vastgehouden. Juist met die traditie werden zwarten uitgezonderd. Zijn gereformeerde vandaag beter dan zeventiende-eeuwers?

Afstand van Dordtse opvattingen namen de remonstranten wel, maar hun standpunt werd door Voetius met theologische stelligheid verketterd. Waarachtig en volkomen was volgens hem alleen wat paste binnen calvinistische dogmatiek. Een eenzijdig en smalle egocentrische soteriologie die qua logica wel moest aansluiten bij de humanistisch filologische opvattingen van Johannes Calvijn. Die hechtte, onder invloed van Erasmus, alleen taalkundig waarde aan Joodse schriftuitleggers, maar vond dat de Joden de Schrift niet volkomen konden begrijpen zonder geloof in Jezus Christus. Het Joodse volk noemde hij kinderlijk, aards, ceremonieel en achtte hij niet in staat om de geestelijke erfenis te ontvangen. Aangezien de mens niet wordt gerechtvaardigd door de werken van de wet, werd de werking van de wet vooral gezien als aanklagend waar Jezus als plaatsvervangend schulddrager het forensisch middel voor is. In de Joodse context diende Tora echter als leerregel en blauwdruk voor een samenleving van recht en gelijkwaardigheid die anders moest zijn dan het Egyptische slavenhuis waaruit Israël bevrijd was. Om bij de vrijheid van slavernij en gelijkwaardigheid te blijven werd de Tora door God’s genade aan Israël gegeven. Gereformeerden rekenden zich uitverkoren om de naaste tot slaaf te maken, terwijl de Vleesgeworden Tora leerde vijanden lief te hebben en juist stief voor de naaste.

Gereformeerden rekenden zich op basis van geloof rijk in het hiernamaals waarin men meent in eeuwigheid met Hem over alle schepselen te zullen regeren (zondag 11.32), terwijl zij op aarde zwarten hielden in onvrijheid, armoede en voor eigen gewin eeuwen genadeloos bleven misbruiken en bastonneren. Met oog voor het koloniale verleden is het niet verbazend dat zwarten in het algemeen niet onderschrijven dat de Dordtse leer die in gereformeerde kerken geleerd wordt de waarachtige en volkomen leer der zaligheid is. Verbazend is wel dat gereformeerden het geoorloofd blijven vinden van een gelovige een bekentenis te verwachten die moet erkennen dat dat de Dordtse leer als zodanig de waarachtige en volkomen leer der zaligheid is. Doet een zwarte christen dat niet, dan kan hij in principe geen ambtsdrager worden. Dit mechanisme van uitsluiting is inherent aan de gereformeerde kerk en haar theologie. Dordtse theologie blijven gereformeerden vandaag complimenteren als goede orthodoxie en daarmee houden zij uitsluitingsmechanismen in stand. De PKN bood geen vergiffenis aan voor haar aandeel in het slavernijverleden, laat staan dat zij afstand doet van opvattingen die eraan hebben bijgedragen.

Protestanten halen zich de schouders op en wanen zich onverantwoordelijk voor het slavernijverleden. Wie oproept van deze onverschilligheid te bekeren, wordt weggezet als ondankbaar, populist of misleider. Joodse leiders haalde zich ook met trots de neus op en waande zich beter dan hun vaderen, maar Jezus prikte deze schijnheilige bubbel door. Zij gaven tienden van de munt, dille en de komijn om de schijn op te houden, maar aan recht, herstel of liefde voor de vreemdeling deed men niet. Het waren meesters in muggenziften, vergelijkbaar met hen die steeds bezwaar maken als er tijdens de eredienst niet genoeg psalmen uit de berijming van Datheen worden gezongen. Vanbinnen dragen zij de koloniale erfenis van roofzucht wat zich naar buiten uit in overconsumptie en uitputting van de schepping. Als vanouds moeten voor deze overmatige luxe onderbetaalde contractarbeiders als werktuig betalen. Zo kunnen deze slaven der Mannon er van buiten keurig gekleed en rechtvaardig uitzien, maar zijn ze vanbinnen vol huichelarij en wetteloosheid. Jezus hebben de Joodse leiders beslist niet kunnen overtuigen. Hij doorzag het uiterlijk vertoon van witgepleisterde graven die haast uitpuilde aan doodsbeenderen en onreinheden. ‘Aldus getuigt u tegen uzelf, dat u kinderen bent van hen die de profeten gedood hebben’ (Mat. 23:29-31).