Farzand Ali

De naam Farzand Ali is van Perzisch-Indiase oorsprong en betekent letterlijk “kind of zoon van Ali”, waarbij farzand “kind/nakomeling” en Ali “hoog” of “verheven” betekent. De Perzische component van mijn voorouderlijke wortels gaat terug op een beschaving die reeds lang vóór de opkomst van het christendom en de islam tot bloei kwam. Reeds in de zesde eeuw voor Christus bracht Cyrus de Grote verschillende volken, talen en godsdiensten samen in het Achaemenidische rijk. Onder Darius strekte dit rijk zich uit tot gebieden ten westen van de Indus, waardoor al vroeg een duidelijke verbinding tussen de Perzische en Indiase wereld ontstond.

In de Bijbel verschijnt Cyrus als tegenbeeld van Farao. Waar Farao Gods volk vasthield en zijn hart werd verhard, “wekte de HEERE de geest van Cyrus op”. De Perzische koning liet de Joodse ballingen uit Babel terugkeren, gaf hun ruimte om hun tempel en gemeenschap te herstellen en liet de geroofde tempelvoorwerpen teruggeven. Toen de bouw later werd tegengewerkt, werd zijn besluit in de Perzische archieven teruggevonden en door Darius gehandhaafd (Ezra 1:1-11; 5:13-17; 6:1-12). Het Perzische rijk was geen volmaakt rijk, maar Cyrus toonde een opmerkelijke verdraagzaamheid: macht hoefde niet te worden gebruikt om andere volken en religies uit te wissen, maar kon ook vrijheid, herstel en bescherming mogelijk maken.

Jesaja noemt Cyrus daarom Gods “herder” en zelfs Zijn “gezalfde”, hoewel Cyrus Hem niet werkelijk kende (Jesaja 44:28-45:7). Hij was geen Messias, maar vormde wel een voorafschaduwing van Christus. Wat bij Cyrus beperkt en politiek zichtbaar werd — gevangenen vrijlaten, geroofd bezit teruggeven en ruimte scheppen voor verschillende volken — kreeg in Jezus zijn volle geestelijke gestalte. Jezus ging door Samaria, ontving vreemdelingen, prees het geloof van een Romeinse hoofdman en stelde een Samaritaan ten voorbeeld. Hij is “meer dan Salomo” en zelfs meer dan de tempel (Mattheüs 12:6 en 42): geen koning die volken aan zijn hof onderwierp, maar Degene die mensen uit alle volken tot één gemeenschap samenbrengt. Wijzen uit het Oosten kwamen Hem als eersten aanbidden; bij Pinksteren hoorden Parthen, Meden en Elamieten het evangelie ieder in hun eigen taal. Eenheid betekende bij Christus geen uitwissing van afkomst of cultuur, maar gemeenschap over bestaande grenzen heen.

Raja Farzand Ali Khan, ca. 1880. Authentiek negentiende-eeuws fotografisch portret van de Taluqdar van Jahangirabad, vastgelegd door Abbas Ali. Zijn titel van Raja werd hem door Wajid Ali Shah verleend en later door de Britse regering erkend.

Sikandar Bagh in Lucknow, het historische complex dat Raja Farzand Ali Khan beheerde en dat deel uitmaakte van de hof- en cultuurwereld van Awadh.

Eeuwen later kreeg iets van deze Perzisch-Indiase ontmoetingswereld gestalte in Lucknow, het culturele hart van Awadh. Kunst, taal, religie en etiquette verbonden er hindoeïstische en islamitische gemeenschappen. Raja Farzand Ali Khan maakte deel uit van deze hofwereld. Wajid Ali Shah, de laatste koning van Awadh en ook wel aangeduid als “de laatste koning in India”, verhief hem tot Raja en vertrouwde hem onder meer het beheer van Sikandar Bagh toe. Zijn verbindende houding tegenover zijn hindoeïstische en islamitische volksgenoten klonk door in voorzieningen voor beide tradities: studie van het Sanskriet naast Arabisch en Perzisch, met ruimte voor zowel een hindoe als een moslim. Ook de Perzische groet Khuda Hafiz — “God behoede u” — gaf uitdrukking aan een taal die godsdienstige grenzen kon overstijgen.

Die wereld werd door het Britse imperialisme ontwricht. De East India Company annexeerde Awadh in 1856, zette Wajid Ali Shah af en ontnam Lucknow zijn zelfstandige hof. Na de opstand van 1857 werd de stad met groot geweld heroverd en werd ook Sikandar Bagh een plaats van verwoesting en massale dood. In 1858 ging het bestuur van Brits-Indië over op de Britse Kroon.

Het westerse protestantisme dat zich met deze koloniale macht verbond, bood hierop geen afdoend geestelijk weerwoord. Integendeel: onder het vaandel van een vermeend christelijke beschaving werden economische overheersing, raciale superioriteit en de vernietiging van een andere samenleving gerechtvaardigd. Het was een omkering van de weg van Christus. Waar Cyrus een verdreven volk ruimte gaf om zijn identiteit en heiligdom te herstellen, brak het protestants-Britse rijk een multiculturele hofwereld af en presenteerde het deze overheersing als bestuur, vooruitgang en beschaving.

Delegatie van Wajid Ali Shah in Londen, 1857. Prinsen en vertegenwoordigers van Awadh reisden naar het hart van het Britse wereldrijk om bezwaar te maken tegen de annexatie van hun koninkrijk.

Wajid Ali Shah, koning van Awadh, ca. 1855. Deze vroege foto werd door hofphotograaf Ahmad Ali Khan gemaakt, kort vóór de Britse annexatie van Awadh in 1856.

Wajid Ali Shah legde zich niet zonder meer bij het onrecht neer. Vanuit Calcutta bestreed hij de annexatie en liet hij zijn zaak in Londen bepleiten, waar zijn moeder en vertegenwoordigers zich tot Queen Victoria wendden. Daarin is ook de weg van Paulus te herkennen, die zich op Caesar beriep en naar Rome ging om zijn zaak voor het hoogste aardse gezag te laten horen (Handelingen 25:11). Beiden erkenden dat een overheid werkelijk gezag bezit, zonder daaruit af te leiden dat alles wat zij doet ook rechtvaardig is.

Prinsen van Awadh tijdens hun missie in Engeland, 1857. Authentieke foto van prinsen en leden van hun gevolg uit Lucknow in de Manchester Art Treasures Exhibition. Foto: Leonida Caldesi, 1857, Royal Collection.

De geschiedenis kreeg voor mijn familie een nieuw hoofdstuk toen Dara Farzand Ali, de grootvader van mijn grootvader, als vrije migrant naar Suriname vertrok. Door ondernemingszin en hard werken bouwde hij daar een bestaan op. Ik behoor tot de vijfde generatie van deze familielijn en werd in Nederland geboren, nadat mijn ouders rond de onafhankelijkheid van Suriname in 1975 naar Nederland waren gekomen.

Ook Nederland noemde zich eeuwenlang christelijk, terwijl slavernij, koloniale uitbuiting en oneerlijke contractarbeid werden verdragen of gelegitimeerd. Daarmee werd de kern verloochend van het evangelie van Christus, die geen mensen tot bezit maakte, maar scheidsmuren afbrak en de verdrukte recht deed. De kerk mag daarom nooit opnieuw afkomst, huidskleur, volk of macht heiligen ten koste van de naaste.

De betekenis van mijn familiegeschiedenis ligt uiteindelijk niet in titels, rijkdom of oude rijken. Zij ligt in een houding die al bij Cyrus zichtbaar werd en in Christus haar volheid kreeg: macht gebruiken om vrij te maken, overtuiging zonder uitsluiting, verscheidenheid zonder verdeeldheid en verzet tegen onrecht zonder haat. Geen Perzisch, Indiaas, Surinaams, Brits, Romeins of Nederlands rijk is het Koninkrijk van God. Dat Koninkrijk wordt niet bepaald door grondgebied of afkomst, maar door gerechtigheid, vrede en vreugde in de Heilige Geest — en door gemeenschap met de Vader en met elkaar door de Zoon (Romeinen 14:17; 1 Johannes 1:3-4).