Ik ben de HEERE, uw God, Die u uit het land Egypte, uit het slavenhuis, geleid heeft.

De God die uit het slavenhuis leidt

Voordat de HEER Israël de Tien Geboden geeft, maakt Hij eerst bekend wie Hij is en wat Hij voor zijn volk heeft gedaan:

“Ik ben de HEER, uw God, Die u uit het land Egypte, uit het slavenhuis, geleid heeft.”
— Exodus 20:2

De wet begint dus niet met een bevel, maar met bevrijding. God zegt niet: gehoorzaam Mij, zodat Ik u zal bevrijden, maar: Ik heb u bevrijd; leef daarom voortaan als mijn vrije volk. De geboden zijn geen nieuw slavenjuk, maar vormen de leefregel van mensen die niet langer aan de farao, aan afgoden of aan de machten van onderdrukking toebehoren. De genade gaat aan de gehoorzaamheid vooraf.

In de uittocht maakt de HEER Zich bekend als de God die het geroep van onderdrukten hoort, hun ellende ziet en afdaalt om hen te bevrijden. Egypte wordt daarbij voorgesteld als een slavensysteem waarin mensen worden gereduceerd tot arbeidskracht, waarin economische productie belangrijker wordt geacht dan menselijk leven en waarin zelfs pasgeboren kinderen aan de machtspolitiek van de farao worden opgeofferd. Tegenover deze ontmenselijking openbaart God zijn Naam: Hij is de Aanwezige die het lijden ziet en mensen uit de macht van hun onderdrukkers leidt.

Israël mag na zijn bevrijding daarom niet zelf een nieuw Egypte worden. Steeds opnieuw wordt het volk eraan herinnerd dat het vreemdeling en slaaf is geweest. Juist die herinnering moet zijn omgang met armen, vreemdelingen, schuldenaren, dagloners en dienaren bepalen. Ook zij moeten rust ontvangen, rechtvaardig worden behandeld en op gezette tijden worden vrijgelaten. Zelfs het sabbatsgebod wordt in Deuteronomium met de uittocht verbonden: Israël moet zijn knechten laten rusten, omdat het zelf slaaf in Egypte is geweest en door Gods sterke hand is bevrijd.

Wanneer Israël deze roeping verloochent, afgoden dient, armen uitbuit, recht verdraait en mensen opnieuw tot bezit maakt, handelt het in strijd met de God die het uit het slavenhuis heeft geleid. De profeten klagen daarom niet alleen Israëls afgoderij aan, maar ook zijn onderdrukking van kwetsbaren. Bijzonder scherp wordt dit zichtbaar wanneer de leiders van Juda hun Hebreeuwse slaven eerst vrijlaten en hen vervolgens opnieuw onderwerpen. Daarmee herscheppen zij in Jeruzalem het slavensysteem waaruit God hun voorouders had bevrijd. De ballingschap is dan niet slechts een politieke nederlaag, maar ook een verbondsoordeel: een volk dat de geschonken vrijheid gebruikt om anderen te knechten, verliest uiteindelijk zelf zijn vrijheid.

Toch heeft Gods oordeel niet het laatste woord. Dezelfde God die Israël eens uit Egypte leidde, brengt het ook uit Babel terug. Daarvoor gebruikt Hij de Perzische koning Cyrus, die Hij opmerkelijk genoeg “Mijn herder” en zelfs “Mijn gezalfde” noemt. Cyrus behoort niet tot Israël en kent de HEER aanvankelijk niet, maar wordt toch door God geroepen om de macht van Babel te breken, de ballingen vrij te laten en de herbouw van Jeruzalem mogelijk te maken. Daarmee laat de HEER zien dat Hij niet gebonden is aan één natie, dynastie of religieus machtscentrum. Hij kan zelfs een heidense wereldheerser in dienst nemen van zijn bevrijdende handelen.

Cyrus kan in die beperkte zin worden gezien als een voorafschaduwing van de Messias: hij breekt een onderdrukkende macht en opent voor gevangenen de weg naar huis. Toch is hij niet de Messias in volle zin. Cyrus blijft een aardse keizer en heerser van een wereldrijk. De uiteindelijke Messias vestigt geen nieuw imperium dat andere volken overheerst, maar een koningschap van recht, vrede en bevrijding. Zijn heerschappij is niet beperkt tot Israël, maar strekt zich uit tot alle volken; niet doordat Hij hen tot slaven maakt, maar doordat Hij gevangenen bevrijdt, vijandschap afbreekt en mensen samenbrengt onder Gods rechtvaardige heerschappij.

Zo vormt de inleiding op de Tien Geboden de sleutel tot alles wat volgt. De HEER is geen farao die mensen door geboden tot slaven maakt. Hij is de Bevrijder die mensen uit slavernij roept en hun vervolgens leert hoe zij in vrijheid moeten leven. Daarom kan gehoorzaamheid aan zijn geboden nooit bestaan uit het overheersen, vernederen of ontmenselijken van anderen. Wie door de HEER uit het slavenhuis is geleid, wordt geroepen zelf geen slavenhuis te bouwen.

De belangrijkste bijbelse onderbouwing is te vinden in Exodus 2:23-25 en 3:7-10, Exodus 20:2, Deuteronomium 5:6 en 5:12-15, Deuteronomium 15:12-15 en 24:17-22. Voor de veroordeling van Israëls onderdrukking zijn vooral Jesaja 1:16-17, Amos 2:6-7, Micha 2:1-2 en Jeremia 34:8-22 belangrijk. Cyrus wordt Gods herder en gezalfde genoemd in Jesaja 44:28 en 45:1-7; de universele heerschappij van de uiteindelijke Messias komt onder meer naar voren in Psalm 72, Jesaja 9:5-6, Jesaja 49:6 en Daniël 7:13-14.

1. U zult geen andere goden voor Mijn aangezicht hebben.

De Heer grijpt dus in: geen loyaliteit meer aan de goden van Eypte (Ex.12:12), in het bijzonder niet aan het staatshoofd Farao die de hoogste macht claimt. Dat imperium bracht ontbering, ellende, gebrokenheid en slavernij van 'buitenstaanders'. Maar de Heer schiep ieder mens naar zijn evenbeeld: heerlijk, zalig, volmaakt en met heerschappij over de aarde - wees dus enkel loyaal aan Hem.

Leef als hét kroonstuk geschapen naar Ons harmonieus evenbeeld en gelijkenis, daarom zul je voor Mijn aangezicht geen andere goden hebben die dit breken; geen Farao’s die over mensen willen heersen.

2. U zult voor uzelf geen beeld maken, geen enkele afbeelding van wat boven in de hemel, of beneden op de aarde of in het water onder de aarde is.

De Heer wil geen materiele zichtbaarheidsdrang ten koste van anderen, maar nederige gerichtheid op het welzijn van de ander. Niet om door mensen gezien te worden, maar trouw in het verborgene, in het geven (Mat. 6:1–4), in het bidden (6:5–6) en in het vasten (6:16–18). Status en machtsgerichte levenspatronen hebben een sterke doorwerking in een voortgaande houding van hen die de Heer haten. 


Breek de ordelijkheid niet: Mij dus niet vormen uw eigen beeldvorming of gelijkenis – zij het hoog of laag - om daarvoor te buigen en te dienen. Zulke misdadigheid werkt door.

 

3. U zult de Naam van de HEERE, uw God, niet ijdel gebruiken, want de HEERE zal niet voor onschuldig houden wie Zijn Naam ijdel gebruikt.

Wees dus als de Heer, trouw in het verborgene, want aan ijdel gedrag mag Zijn naam niet verbonden worden. Zelfingenomenheid maakt inbreuk op het wezen van Gods karakter die schiep om zijn heerlijkheid met anderen te delen. Misbruik Zijn goede Naam niet om trots, hoogmoed en zelfingenomenheid te maskeren. Vals gebruik van zijn Naam leidt tot schuldzonde.


Misbruik Mijn naam niet voor uw eigen beeld, ego, zelfingenomenheid of trost, want dan ben je schuldig.

 

 

4. Neem de sabbatdag in acht om die te heiligen, zoals de HEERE, uw God, u geboden heeft. Zes dagen zult u arbeiden en al uw werk doen, maar de zevende dag is de sabbat van de HEERE, uw God. Dan zult u geen enkel werk doen, u, noch uw zoon, noch ...

dochter, slaaf, slavin, rund, ezel of vreemdeling die binnen uw poorten is, opdat uw slaaf en slavin rusten zoals u. Want u zult in gedachten houden dat u slaaf geweest bent in het land Egypte en dat de HEERE, uw God, u vandaar uitgeleid heeft met sterke hand en uitgestrekte arm. Daarom heeft de HEERE, uw God, u geboden de dag van de sabbat te houden.

De Heer doet machtig werk om vrijheid, herstel en rust (Luk. 14:18-19). Hij rustte en wil niet alleen van die vijheid en vrede genieten, maar wil het ook voor Zijn schepping. Praktiseer het eens per week. Het Koninkrijk van God is dus wederom geen uiterlijke vertoning; het komt niet op waarneembare wijze. Het is onzichtbaar omdat het leeft binnen in u (Luk. 17:20-21). Niet door voortdurend te werken als slaafgemaakte om maar te eten en drinken, noch in zelfingenomenheid, maar een innerlijke staat van gerechtigheid, vrede en blijdschap in gemeenschap met de zowel de Heilige Geest (Rom. 14:17), als met anderen schepselen (uw zoon, dochter, slaaf, slavin, rund, ezel, vreemdeling, land). Van belang is dat ook ondergeschikten rusten als hun gezagdragers.

Erken dat je uit genade leeft en stop met controleren, jezelf maken, jezelf bewijzen of jezelf rechtvaardigen. Trots verstijft, humor maakt los – rust zoals ook de Heer rustte, lach en heb humor, zelfspot, want je leeft immers uit genade.

5. Eer uw vader en moeder, zoals de HEERE, uw God, u geboden heeft, opdat uw dagen verlengd worden en opdat het u goed gaat in het land dat de HEERE, uw God, u geeft.

Eerbiediging van deze gezagsverhoudingen geeft een goede uitkomst. Dus niet alleen goedgezindheid naar hen over wie je gezeag uitoefent, maar ook eerbiediging van hen die gezag over je uitoefenen. Dat zal een toekomst opleveren, lang leven, voldoening, etc.

Eer hoger gezag als je lang, gelukkig en harmonieus wil leven in goede verstandhouding met de Heer.

6. Gij zult niet doodslaan.

Zoals de Heer er alles voor over heeft om ons het zalige leven te geven, behoren ook wij het zalige leven voor anderen volledig na te streven - juist en vooral voor vreemdeling. Hij greep machtig in om ons vreemdelingen in Egypte uit doodzonde te leiden, waardoor ook wij niets liever voor medemensen willen.

Dood de naaste die eveneens is geschapen voor het leven dus niet, maar acht die gelijkwaardig en wees niet hatend, neerhalend, noch anderzijds minderwaardig om als afgod over hen te heersen.

7. Noch zult gij overspel plegen.

Onderwerp niemand aan je eigen lusten. Overspeel niet de ordelijkheid in het huwelijk, maar bewaak trouw de orde en gelijkwaardigheid – naar voorbeeld van Christus en de gemeente – en vorm geen ongelijk juk.

8. Noch zult gij stelen.

Roof niet voor jezelf wat de ander toebehoort. Trots kent geen grenzen, diefstal overschrijdt ze.

9. Noch zult gij valse getuigenis spreken tegen uw naaste.

Vervals de waarheid niet om jezelf te beschermen, maar heb de juiste houding en spreek de waarheid ten aanzien van de werkelijkheid dat je leeft uit ontvangen genade. Wees geen valse vertegenwoordiging van Mij, maar oprecht.

10. Noch zult gij begeren de vrouw van uw naaste. U zult uw zinnen niet zetten op het huis van uw naaste, noch op zijn akker, noch op zijn slaaf, noch op zijn slavin, noch op zijn rund, noch op zijn ezel, noch op iets wat van uw naaste is.

Begeer niet wat de ander heeft, want door begeerte kwam de zonde de wereld in. De begeerte om als God te zijn en willen heersen, terwijl alles al gegeven was. Abel krijgt succes, Kaïn voelt afkunst. De Heer spreekt vrijuit (waar is uw broeder?), Kaïn voelt irritatie (ben ik zijn hoeder!?). Jaloezie, egoïsme, afgunst, steeds met anderen willen vergelijken, steeds over anderen roddelen, steeds cirkelen in dezelfde conflicten, angsten, fantasiën; als slaaf van de begeerte.