De Bry – Americae

(Doorlopende Nederlandse vertaling van de vijf prenten)

In de landen van Amerika vindt men zelden dorpen met meer dan zeven huizen, die rondom een open ruimte staan. In het midden van die ruimte bevindt zich een plein dat bestemd is voor het offeren van krijgsgevangenen.

De hutten bouwen zij op de volgende wijze. Zij omringen deze met palmstammen, ongeveer anderhalve vadem (ongeveer negen voet) hoog, in de lengte gespleten, rechtop geplaatst en stevig aan elkaar bevestigd, zodat er geen opening is waar een pijl doorheen kan. Zelf maken zij kleine spleten in de wand waardoor zij hun speren naar buiten kunnen werpen. Rond deze eerste omheining plaatsen zij nog een tweede ring van stevige palen, niet zo dicht dat het massief is, maar ook niet zo open dat een man erdoorheen zou kunnen wringen.

Het gebeurt bij sommige volkeren dat zij de hoofden van gedode en opgegeten vijanden als trofeeën aan de ingang van hun hutten bevestigen. Wanneer zij vijanden gevangen nemen, bereiden zij hen voor volgens vaste rituelen. Dan verzamelen de mensen zich op het plein; zij dragen sieraden en wapens die versierd zijn met verf en veren. Een houten knuppel, Iwara Pemme genoemd, wordt met kleverige stof ingewreven en vervolgens bestrooid met fijn poeder dat zij maken van de as van bepaalde vogeleieren. Een vrouw versiert de knuppel vervolgens met tekeningen van dat poeder terwijl de krijgers zingen en rond de gevangene dansen.

Wanneer de rituelen voltooid zijn, ontsteken zij een vuur op twee passen van de gevangene, opdat hij zijn naderende einde kan zien. Dan komt een vrouw aanrennen, zwaaiend met de Iwara Pemme. Zij juicht luid, schudt de pluimen die eraan bevestigd zijn en rent langs de gevangene heen, zodat hij gedwongen is naar dit dodelijke wapen te kijken. Daarna neemt een man uit het volk de knuppel en toont deze langdurig aan de gevangene, tot deze het moe wordt om naar te kijken. Ondertussen komen veertien of vijftien andere mannen aan, geheel met as bestreken, om de uitvoering van het ritueel bij te wonen.

Nadat de gevangene is gedood, wordt zijn lichaam verdeeld. Zij bereiden een pap die Mingau wordt genoemd en drinken die samen met hun kinderen. Zij eten de ingewanden, knagen het vlees van het hoofd, en geven hersenen, tong en alles wat zich in de schedel bevindt, aan de kinderen. Wanneer drie rondes van eten voltooid zijn, keert ieder naar zijn huis terug met een deel van het vlees.

De man die de gevangene heeft gedood, neemt een nieuwe naam aan. De leider van het huis snijdt met een dierentand insnijdingen over diens bovenarmen; wanneer deze genezen zijn, blijven littekens achter die als teken van grote eer gelden. Op de dag dat hij iemand heeft gedood, mag hij niet werken en moet hij liggend rusten. Men geeft hem een kleine boog en pijlen om zijn tijd door te brengen, en hij oefent op een doel dat van was is gemaakt. Als zijn armen door angst niet te veel beven en hij goed schiet, wordt hij verder in het boogschieten getraind. Over dit alles, zo wordt gezegd, was de auteur ooggetuige.

De mensen kunnen tellen tot vijf; grotere aantallen geven zij weer met vingers van handen en voeten.

Wanneer zij het vlees willen bewaren, maken zij vier palen zo dik als een arm, in een vierkant in de grond. Daarover leggen zij dwarsstokken, met vingerbreedte ertussen, en zo ontstaat een houten rooster. Dit noemen zij Boucan. Op dat rooster leggen zij in stukken gesneden vlees, en drogen het langzaam boven een vuur van droog hout dat weinig rook geeft. Zo blijft het vlees lang houdbaar.


De Bry’s Americae als koloniale propaganda

De prentenzijn afkomstig uit Theodor de Bry’s Americae (1590–1634), een rijk geïllustreerde reeks over de “Nieuwe Wereld” en een van de grootste bestsellers van zijn tijd. De Bry was zelf nooit in Amerika; hij baseerde zijn werk op reisverslagen van o.a. Hans Staden en Jean de Léry. Hoewel sommige elementen van deze bronnen historisch wel voorkomen, is het beeld dat De Bry in Europa verspreidde grotendeels gevormd door selectieve framing, overdrijving en sensatiezucht.

De context: Europa op zoek naar legitimatie

Aan het einde van de 16e eeuw begon Europa zich intensief bezig te houden met kolonisatie. Maar kolonisatie moest ook moreel gelegitimeerd worden: hoe rechtvaardig je het veroveren van land, het onderwerpen van volkeren, het stichten van plantages en het dwingen tot bekering?

Antwoord van die tijd: beeldvorming.

Als de ander “barbaars” is, wordt overheersing een daad van beschaving.
Als de ander “kannibaal” is, wordt geweld een zegen.

De afbeeldingen tonen bijna uitsluitend:

  • naaktheid dat werd geassocieerd met primitieve volken 

  • ritueel geweld

  • kannibalisme

  • wreed vermaak

  • chaos, dans, grilligheid

  • lichaam als object van consumptie

Nooit zie je landbouw, rechtspraak, diplomatie, kunst, geneeskunde, poëzie, opvoeding, religie — terwijl deze wél bestonden.

Van ritueel kannibalisme naar Europese mythevorming

Onder antropologen is het goed onderbouwd dat bij sommige Tupi/Tupinambá-stammen rituele antropofagie voorkwam, maar in werkelijkheid was kannibalisme onder de betrokken inheemse volken ritueel, betekenisvol en zeldzaam, verbonden aan ceremonie, wraak en eer. Het ging niet om alledaags vleesgebruik, maar om een symbolisch moment binnen een specifieke culturele logica. Bij De Bry verandert dit echter in het volledige tegenovergestelde: hij toont het alsof het om een dagelijkse praktijk gaat, grotesk en centraal voor hun hele samenleving.

Waar de historische context wijst op een religieus-symbolische handeling, presenteert De Bry het voornamelijk als spektakel voor consumptie, gericht op sensatie en afschrikking. Bovendien betrof rituele antropofagie slechts bepaalde specifieke stammen, maar in De Bry’s prenten en teksten wordt het voorgesteld alsof alle Amerikanen zich eraan schuldig maakten. Daarbij aten deze volken hun vijanden in een rituele context, nooit hun eigen mensen, terwijl De Bry de indruk wekt dat men mensen simpelweg als voedsel gebruikte.

Tekst en beeld versterken elkaar

De tekst beschrijft gedetailleerd:

  • het villen van lichamen

  • het eten van hersenen en tong door kinderen

  • rituele slachting als feest

  • het uithollen van schedels

  • het conserveren van mensenvlees op een vuurrooster (boucan)

De gravure verbeeldt dat tot in morbide detail.

Psychologisch werkt dat als volgt:

📌 Woord + beeld = waarheidseffect.
📌 Afwijking + emotie = onthouden.
📌 Gruwel = verkoopbaar.

Een Europese lezer in 1590 had hoogstwaarschijnlijk nooit een Amerikaan gezien. Voor veel lezers werd dit dus:

de eerste indruk — en daarmee de norm.

Het “beschaafde Europa” tegenover de “wilde Ander”

De Bry construeert een duidelijke civilisatiehiërarchie:

🟢 Wij: gekleed, christelijk, rationeel, moreel
🔴 Zij: naakt, heidens, irrationeel, ‘onmenselijk’

Dat moraliseert het koloniaal geweld:

  • slavernij → beschaafmaking

  • bekering → redding van zielen

  • landroof → orde brengen

  • geweld → rechtvaardige zuivering van barbarij

De diepere structurele functie van dit soort werken

Deze prenten: creëren angst en afkeer; rechtvaardigen missionaire expansie (evangelisatie als redding); ondersteunen economische kolonisatie (plantages, grondbezit); versterken Europees superioriteitsdenken; worden basis voor eeuwen stereotypes ("de kannibaal", "de wilde").

Hierdoor worden de inheemse volken gedehumaniseerd, wat in de praktijk later leidde tot:

  • slavernij

  • landonteigening

  • uitroeiingsoorlogen

  • culturele vernietiging

  • missionaire dwangsystemen

De illustraties zijn dus geen neutrale etnografie, maar propagandistische verbeelding die koloniale macht structureert.

Waarom dit vandaag nog relevant is

Onze moderne blik op “indianen”, “tribale culturen”, “primitieven” is diep beïnvloed door dit soort afbeeldingen. Zelfs hedendaagse films, strips en schoolplaten dragen echo’s hiervan. Wanneer je deze platen dus leest in de 21e eeuw, moet je ze lezen als: historische bronnen van Europese verbeelding – niet van Amerika zelf.

Slot

De prenten zijn waardevol. Niet omdat ze “de waarheid” over de inheemse wereld tonen, maar omdat ze tonen hoe Europa de ander wilde zien. En in dat licht zijn ze meesterlijk: kunst als machtinstrument, beeldvorming als koloniale architectuur. Zij documenteren dus minder Amerika, maar vooral Europa.