Bij hun ma' polariserende orthodoxie
Gereformeerden en de slavenhandel
Moeten eenentwintig-eeuwse gereformeerden zich schuldig voelen om de schuld van hun calvinistische voorvaderen te vereffenen? Die vraag laat Schutte vallen, als hij de verhouding tussen zeventiende-eeuwse gereformeerden en de slavenhandel bestudeert. Terecht ook als het een huiselijke vraag betreft en men bekend is met definities zoals die van J.H. Scholten. Hij noemt calvinistische theologie ‘een gesloten geheel van dogmatisch karakter. Het maakt indruk door zijn volstrekte logica, strakke betoogtrant en theologische stelligheid’. Op gevorderde leeftijd gaat Gisbertus Voetius (1589-1676) in Het Calvinistisch Nederland van hoogleraar Schutte te boek als zwart, somber en een man die duizend dingen beter wist maar geen gelijk kon krijgen. Geketend aan een cultureel remmende, alle vreugd ontwijkende godsdienst die mensen kweekt van strenge levenswijs en zeden. Hard en hoekig als uit hout gesneden, voor geen enkele consequentie van eigen dogmatiek terugdeinzend.
GRAFT
Met Schutte zetten we een casestudie uiteen rond Graft, een dorpje dat valt onder de gemeente Alkmaar. De zeventiende-eeuwse Grafter gemeenschap wenste echte vaderfiguren in mensen, die zij als regenten van weeskamer en weeshuis de zorg voor hun hulpbehoevende wezen en oude mensen toevertrouwden, heeft van Deursen vastgesteld. Hij bestudeerde de kerk van onderaf; kerk en religie in de alledaagse werkelijkheid van de enkeling en samenleving; meer het geleefde geloof dan het voorgeschreven geloof. Van Deursen geeft onder de voorbeelden van goede weesvaders in Graft de persoon van Lourens Janz. Slot, slavenkapitein in ruste. Dit roept verbazing op bij Schutte: ‘Was zo iemand in de ogen van de zeventiende-eeuwers de ideale vaderfiguur?’ In Een dorp in de polder wordt de kennismaking met slavenkapitein-weesvader Slot voortgezet. Volgens Schutte dient Slots biografie als exemplarische kennismaking met de denkwijzen, normen en waarden van het zeventiende-eeuwse gereformeerde Nederland.
Slot voer in 1668 als slavenkapitein de Atlantische driehoek in dienst van de Generaale Nederlandtsche Geoctroijeerde West-Indische Compagnie (hierna: ‘WIC’). Vertrokken vanuit het aan de Afrikaanse westkust gelegen slavenfort Elmina (huidige Ghana) voer hij richting Zuid-Amerika en leed hij schipbreuk door woest water bij de monding van de Amazonerivier. Na twaalf dagen ronddobberen in een sloep op de oceaan doodde een tiental geredde zeelieden een eveneens geredde “zwarte slavin”, zoals Schutte de zwarte vrouw noemt. Met haar vlees en bloed stilden Slot en zijn bemanning hun eigen honger. Van Deursen meent dat Slots geweten van die geschiedenis vermoedelijk geen last heeft gehad. Hij kon zich immers ‘naar de maatschaven van zijn eeuw’ een fatsoenlijk mens gevoelen. Schutte kijkt hier met hedendaags inzicht verbaast van op. Zijn vraag of een ex-slavenkapitein een goede weesvader kon zij heeft vandaag inderdaad een zwaar geaccentueerd antwoord gekregen.
Gereformeerd of niet, volgens Schutte kan zeventiende-eeuws Nederland zich niet vrijpleiten van schuld door een beroep te doen op onwetendheid. Volgens Schutte is gehandeld met bewuste schuld en is de afstand tussen mensen van toen en nu eerder vergroot dan verkleind door de verklaring die Van Deursen geeft: Lourens Jansz. en die andere Hollandse zeelui die kannibalisme beoefenden en nog wel een “zwarte slavin” als slachtoffer namen, ‘wandelden bij het schemerlicht van hun tijd’. Inderdaad verdient deze verklaring een scherpe beoordeling. Schutte liet zien dat men in die tijd willens en wetens handelde: ‘Men wist dat de mensendiefstal tegen Gods gebod was en wist ook dat er in de slavenhandel ‘veel misbruycken’ geschiedden.’ Toch heeft men vooral geprofiteerd en niet echt geprotesteerd. Lourens Janz. Slot werd gezien als fatsoenlijk mens en voorbeeld voor allen, hij bekleedde zelfs de erebaan van weesvader. Zijn verhaal had in de krant gestaan, niet zo lang nadat het leerboek van Poudroyen-Voetius en het tractaat van De Raad waren verschenen. Op basis hiervan lijkt onkunde van de afwijzing van de slavenhandel die zo veel gereformeerde predikanten onderwezen onwaarschijnlijk.
LIJKEN UIT DE KAST
Per e-mail van maandag 15 september 2025 werd Schutte gevraagd of hij het volgende inzicht deelde: “Mij zou goed orthodox bezien Lourens Jansz. Slot geen eer passen, maar onfatsoenlijk geacht moeten worden, het schrikbeeld van een rijke dwaas, en op basis van zijn deelname aan slavenhandel en kannibalisme ongeschikt als weesvader. Goed orthodox zou mijns inziens Graft passen als het net als Ninevé wel bekeerde, of als Slot net als Zacheüs wel deed aan herstel van onrecht”. Hoewel emeritus, reageerde Schutte vlug, niet per brief zoals Blenk maar per e-mail van 18 september 2025 en bovendien instemmend: “Inderdaad, naar hedendaags inzicht accepteerden de mensen in Graft gruwelijks zonden toe. Als een mens of kerk slavernij toestaat, is hij naar hedendaags inzicht fout.” Maar dezelfde zin waarin hij de bewijsgrond voor deze constatering brengt, roept tegelijkertijd weer onze verbazing op. Schutte gaf namelijk met hedendaags inzicht als eerste voorbeeld van tegenstanders van de slavenhandel de Zeeuwse predikant Bernardus Smytegelt (1665-1739). Niet een rode of zwarte die zich verzette tegen tot slaafmaking, maar een witte aandeelhouder van de slavenhandel die werd beoefend door de WIC. Was iemand als Smytegelt in de ogen van een eenentwintig eeuwse hoogleraar de ideale tegenstander van de slavenhandel? Ook die vraag heeft hier een zwaar geaccentueerd antwoord gekregen.